archiveren

Teksten

Tongval

Ergens onderweg tussen tien en
twintig, tussen school en academie,
heb ik mijn tong begraven.

Die ietwat trage tong,
die de medeklinkers inslikt. (wa?)
Een houtje touwtje tong,
een lappenwerk tong,
gebreid door mijn moeder,
de bakker, de buurvrouw,
en tante die-en-die. (welk, wie?)

Ik koos een verse mond.
Hoogmoed maakte
mijn tongriem los.

Onderweg zette ik mijn fiets
op het standaard,
groef een gat,
pakte het doosje en zei

vaarwel.

Geen houdoe.

mijn dag begint pas

als de kinderen uit zijn
en met natte haren,
(laatste uur bok, blokuur gym)
met gestrekte benen,
in de uitstrekkende tijd,
staand fietsend naar huis toe gaan.
(lucht nog helder, daar toch de maan)

jullie slapen.
het is mijn avond,
of,
de nacht is van mij.
Mijn leven trekt
zonder getuigen voorbij.

Weet je nog dat je altijd nieuwsgierig was?
Nee
Echt niet? Je vinger was een baken
in de klas. Je schreef je vragen
op briefjes, schoof ze door naar de docent

en bewaarde alle antwoorden in een map.
Weet je dat niet meer?
Weet ik niet meer.
Weet je nog je lievelingsvak?

Nee.
Het was scheikunde.
Weet je nog de
 paniek
bij het idee van leegte
tussen de kleinste deeltjes?
Ja.

Ja.
Ja. 

De hoek van de tafel
zette zijn handtekening
op mijn voorhoofd.
De sleutel, in het slot
stak het nog
net mijn wenkbrauw toen
oma de deur opende
en ik er tegenaan liep.
De stoep vouwde mijn
lip om mijn tand heen.

Overal zijn de dingen die zich
tegen je aan willen drukken.
Die je openen om
nog dichter bij je te zijn.

taboes

Over de Middag van het Kinderboek, over taboes en eilandjes.

Gisteren was in de OBA de achtste Middag van het Kinderboek. In de ochtend was ik naar de workshop ‘ups en downs van het creatieve proces’, van Sabine Wisman. Een workshop over de rolverdeling tussen creatieveling en criticus. En hoe je leert te herkennen wanneer je verlammend kritisch naar je eigen werk kijkt.

In de middag waren er lezingen. Hoogleraar illustratie Saskia de Bodt hield een lezing over taboe in beeld. Er kwam een mooi geïllustreerd boek voorbij, de partij van Fidel en Fidelia. Over honden die een feest houden waarbij de bloedhond uit zijn antropomorfische rol valt en gaat vechten met de andere honden. Moraal: ‘Dat komt er van als honden menschen willen naäpen.’ merkte de deftige gast met de bril aan.’ Angst wordt tegenwoordig niet echt meer ingezet als pedagogisch middel. In kinderboeken knippen we niet meer van duimzuigers de duimen af.
Hedendaagse taboes in beeld kan je samenvatten als borsten en billen. Bloot verdwijnt uit kinderboeken. De Bodt liet illustraties zien uit de jaren zeventig, waarin er nog wat naakt voorbij kon komen. In 2014 raakte het franse kinderboek Tous à poil ! in opspraak omdat daarin mensen zich uitkleden om het water in te gaan. De politieman, de leraar.

Na deze lezing de zeepkist, met warme pleidooien om je als eenling te verenigen bij bijvoorbeeld BNO, de VvL. Maar ook mooie korte verhalen of boekentips (‘lees ‘schrappen en schrijven,’ van Godfried Bomans.’) Of de interessante vraag wat er zou gebeuren als iedereen besluit maar één boek per jaar te maken.

Na de pauze o.a. Jaap Friso die een een verzameling kinderboeken liet zien met wat gevoelige thema’s, verdeeld in seksualiteit, dood, geweld en geestelijke gezondheid. (Nog iets dat Jaap Friso opmerkte, in kinderboeken over homoseksueel of lesbisch ouderschap worden de ouders vaak uitgebeeld door dieren.) Een opvallend hedendaags taboe is misschien wel slecht aflopende kinderboeken. Of boeken over rotkinderen. Dat zijn dan ook wat recentere taboes, en ik heb bij de reeks afbeeldingen boven wat prenten gedaan waarin kinderen verpletterd worden door standbeelden, aan rotsen bungelen of met geweren schieten. Dat zag je vroeger toch wel meer in kinderboeken.

Tijdens het forumgesprek werd duidelijk dat een gedeelte van hedendaagse taboes in lesmateriaal voornamelijk commercieel geïnspireerd zijn. Bij lesmethodes staan pratende dieren op de taboelijst en ook het afbeelden van varkens kan bij sommige educatieve uitgeverijen niet meer, omdat een boek met varkens mogelijk niet verkocht kan worden op islamitische scholen. Bij het illustreren van een stadsbeeld zijn synagoges, moskees en kerken ook ongewenst, omdat het (bijzonder) onderwijs een methode dan links laat liggen. En eigenlijk ging het grootste gedeelte van het forumgesprek over de beperkingen die opgelegd worden vanwege het bijzonder onderwijs. Zo worden er taboes in stand gehouden die voor de makers en uitgevers niet voelbaar zijn. En als je naar de bron van ophef wilt wandelen volg je een kronkelweg. Het zijn namelijk niet per se de scholen die moeite hebben met varkens, of de leerlingen zelf. De restricties ontstaan uit angst een boze ouder te ontvangen. Het programma ‘de hokjesman’ dat opgesteld is als een soort ironisch/antropologische reis waarin Schaap van eiland tot eiland reist, maakte voor mij nog niet zo duidelijk dat we in een land met eilanden leven. Dit gesprek wel. Voor kinderboekenmakers betekent dit, geen varkens in beeld, geen heks in je boektitel. Anders raakt een eiland voor je afgesloten, waarna je al schrijfster bijvoorbeeld niet meer welkom bent om voor te komen lezen, omdat je op een verboden lijst staat en als occult ++ gemarkeerd bent.

Over telefoons en fictie

Een tijd terug las ik de brieven die J.M. Coetzee en Paul Auster elkaar schreven. Coetzee schreef in een van die brieven iets dat me bij is gebleven. Hij vraagt Paul Auster hoe deze omgaat met telefoons in zijn fictie en schrijft over het ontbreken van mobiele telefoons in zijn eigen werk.

Toevallig vond ik later die week een interview met o.a de scenarist van de film Kids van Larry Clark. Een heftige film waarin een meisje een jongen probeert te vinden die haar met HIV heeft besmet. De scenarist suggereert dat een film als Kids niet meer gemaakt kan worden omdat het meisje de jongen gewoon op zou bellen of in elk geval via een scherm in contact komt. De hoofdpersoon zou nu niet onvindbaar zijn en die onvindbaarheid is juist onderdeel van de premisse van Kids. Suggereren dat Telly als enige jongen in zijn omgeving geen mobiele telefoon heeft past helemaal niet bij zijn karakter en past ook niet bij een film als Kids.

Het misverstand lijkt mij een stuwend onderdeel van zoveel verhalen. Mij hindert de afwezigheid van mobiele telefoons in de verhalen van Coetzee niet omdat ik niet van elk verhaal verwacht dat het zich in het licht van het nu afspeelt. Ik hou van verhalen die dat juist niet doen, het allerliefste lees ik verhalen die zich een soort maquette-achtig dorp afspelen (Aan de voet van de gletsjer / een doodgewoon leven). Het geeft verwarringsruimte, de mensen die zonder gps en telefoon kunnen verdwalen of onvindbaar zijn. Sindsdien zoek ik in boeken of er smsjes in staan. Of whatsappjes. En hoe dit werkt. En of het werkt. Want er is natuurlijk ook ruimte voor misverstand bij mensen die elkaar steeds non-verbaal berichten. Maar ik kom het weinig tegen. 

Ik dacht weer over telefoons na toen ik een playthrough keek van Until Dawn, een game waarbij je als speler steeds de personages één kant op kan sturen. Maak je de juiste keuzes, dan is iedereen na dageraad nog in leven. Maak je de verkeerde keuzes, dan verlies je personages. Thrillers en horrors spelen zich vaak af in rurale gebieden. De personages slaan een zijweggetje in, lopen door bossen, drijven van de bewoonde wereld vandaag, vallen eigenlijk van de kaart. En mocht een persoon zich toch onder de mensen blijven begeven, dan ben je wel geïsoleerd in een waan. Dan zit je op een vliegtuig waarbij niemand wil geloven dat je een kind hebt. Eigenlijk volgen die verhalen de structuur van isolatie + naderende onbekende = terreur.
Onbekende: moordenaar / psychopaat / monster / iets.
Isolatie: (vroeger en nog steeds voornamelijk) locatie.

Ik kijk geen horrorfilms meer, maar ik zou het eens moeten doen om te zien of filmmakers nu het idee van isolatie hebben uitgebreid. Behalve de afzondering die met de locatie meekomt kan je ergens nog het wegvallen van de mobiele telefoon als isolatiebonus meepakken. Er is geen bereik. Of, geloofwaardiger, de batterij is leeg.

De makers van Until Dawn kozen voor iets dat zo geforceerd was dat het opviel. Alle personages hadden één voor één niets meer aan hun telefoon. Iemand verloor opzichtig haar telefoon bij een achtervolging, een ander had een lege batterij, weer een groepje mensen had sowieso geen bereik op de bergtop.

De buren weten het niet maar ze staan 
precies op een lijn. De bovenbuurman
in een zwembroek, hij rookt, de vuurman.
De onderbuurman in pak, hij vouwt de was
op het droogrek.

Hoe vaak per dag sta ik precies op een lijn?
Hoe vaak ben ik verticaal samenhorig?

Over geluiden.

In Oosterhout hoorde ik ’s nachts vaak alleen de dikdoenerij van een brulkikker of het zoemen van de vijverpomp. Overdag sleutelde de buurjongen aan een scooter. Meestal hoorde ik mijn vader thuis komen, zijn motor klonk als een gemotoriseerde mug. Op de drempel floot hij twee keer. Verder qua geluid geen bijzonderheden.

Toen ik achttien was en op kamers in Breda woonde was dat in een drukker straatje. De kamer zat boven een kroeg. Om inbrekers te weren plakken mensen stickers van een hond die ze niet hebben. De kroegeigenaar zette altijd de radio harder als hij wegging om te suggereren dat hij gewoon geen sluitingstijd kende. Zo was het de enige kroeg die juist rustiger werd bij drukte. Hoe meer mensen, hoe zachter de radio. Ik had geen idee hoe alle vaste klanten er uit zagen want ik was (ben) te klein om boven de vitrage te spieken. Maar er zijn in mijn hoofd wel hoorspelpersonages gevormd. (Niets bruikbaars.)

Vanochtend hoorde ik meeuwen en dacht ik in Den Haag wakker te worden. In Den Haag zijn er alleen meeuwen en duiven. In de Spaarndammerbuurt zijn er bonte spechten, zwaluwen, spreeuwen, reigers, eksters, vlaamse gaaien en halsbandparkieten. Het mooiste geluid is de scheervlucht van de zwaluwen, vleesgeworden bliksems. 

De afgelopen drie maanden is de school waar ik naast / tegenaan woon gesloopt. Tegelijkertijd liet de woningbouwcorporatie onze gevels renoveren en schilderen. Het stuivende zand van de sloop eindigde een reis op natte verf. Als je bedenkt dat er soms zand uit de sahara op de straten ligt, is drie meter treurig weinig. 

Omdat alles aan mij ontsteekt en ik niet ook nog een oorontsteking wil heb ik 200 paar oordopjes. De oordoppen draag ik onder een oorkap die ze in de bouw gebruiken. In de verte hoor ik de bulldozers maar ik hoor vooral het bloed door mijn oorschelpen suizen en het kloppen van mijn hart. Soms denk ik, ‘waarom gaat dat hart nu zo snel?’ en dan gaat het hart sneller. Een hart dien je te negeren. 

Rijtje met andermans geluid:

Planet Money: een podcast over economie. Ook interessant als je een hekel hebt aan economie.
This American Life: Liefde
The Moth: true stories told live. Wisselende kwaliteit. 
Marathoninterviews: Dit interview met David van Reybrouck vond ik mooi en dat vond ik ook wel van deze met Maaike Meijer.

Lief Lief, je moet wat eten,
ik kwam bij de bakker, voor ons
schoven ze nog wat in de oven.
Je moet de groeten hebben,
ik zal het Haags niet imiteren,
ben maar niet bang maar,
eet, al is het maar één hap.

Het brood van laatst heb je
ook niet aangeraakt en
in het water drijft een vel.
Neem een slok, dit is vers.
Niet erg als je morst door
het trillen van de dorst
en door de lakens.

Lief Lief, je moet het bed uit,
je benen zijn gekrompen en je
ribben ingezonken en je handen
zijn zo koud. Er is iets mis gegaan
weken geleden en als  ik bij je kruip
mis ik je, hoor je dat? Je moet ook ademen.
Doe dat als eerst, de rest komt later, kom op, lief,
lief, lief, kom op, veer op, kom op, nog één keer die borst
omhoog, zijn de dekens te zwaar, ik haal ze weg, dit is alleen
de sprei, dat weegt toch haast niets, netjes, geen kluwen je bent niet
verstrikt, dat kan het niet zijn, ik kan je longen toch niet, de blaasjes toch niet uit elkaar trekken of duwen? Je bent geen accordeon, je bent geen balg, geen vatten maar vaten, je moet het zelf doen, probeer je te herinneren hoe, adem in, adem uit, doe dat, het komt goed.

Over de Cortofoon

Vanaf 1968 kon je elke dag, voor twaalf jaar lang, de Cortefoon bellen. Dat was het antwoordapparaat van Jules de Corte, die voor elke dag een verhaaltje insprak. 

Toen Marleen hoofdpijn had nam ze een A-poedertje. Helaas kreeg ze daar het zuur van. Geen nood, één B-tabletje en het was over. Alleen maakte haar dat zo lusteloos dat ze een C-capsultje moest nuttigen. Dat hielp, behalve dan dat haar stoelgang ontregeld werd. Geen onoplosbaar probleem, met één D-pilletje was het voor elkaar. Hoewel, haar humeur had daar nogal van te lijden. E-druppels echter drukten de nervositeit danig terug. Maar onstuitbare eetlust is ook niet alles, zodat F-pastilles de orde moesten herstellen. Zo ging het verder, via hartkloppingen, overmatig transpireren, evenwichtsstoornissen en moeizaam inslapen kwam ze uiteindelijk toe aan het middel Z. Maar daar kreeg Marleen verdorie hoofdpijn van. Waaruit we deze lering mogen trekken. Hoe zorgwekkend de werkgelegenheid ook moge zijn, de farmaceutische industrie blijft bloeien. 

Bij een einde tussen honderdduizenden mensen
bedekken we de dingen met lakens, 
gaan de zaken van mond tot mond of
zwijgen we en zijn de kinderen de tweede generatie. 
Zo tellen we iedere keer opnieuw. 

Alsof de beschaving bij barbaren is uitgevonden.

Bij een einde tussen tien mensen 
gaan de eerste vijf samen verder.
Drie vormen een splinterpartij.
Twee besteden meer tijd aan hun gezin.

En bij een einde tussen twee mensen?

Bij een einde tussen twee mensen
steken we snel de straten over
(om elkaar niet te doorkruisen.)
Zetten we onze aankopen op straat
en steken we de lakens in brand. 
Kopen elk een eenpersoonsbed. 

Alsof alleen-zijn bij zij die dat niet zijn is uitgevonden. 

Over vervangingen Bovenstaande foto is het huis van opa en oma Volbeda aan het Wilhelminakanaal bij Oosterhout. Opa woont er nog. Ik herken stukken van het huis, alleen is denk ik de behuizing niet meer van hout. Ik weet niet of het hout is weggehaald of dat er steen tegenaan is gemetseld. Bij het laatste kan je huis wel groter worden maar niet ruimer. En als ik veel tekeningen aan de muur hang is mijn kamer niet kleiner maar wel krapper. In de betonnen aanbouw zitten denk ik al kennels of stallen. Wij speelden nooit op de de dijk omdat we liever op de koetsen zaten of in de stapmolen liepen. Er was een buurman met een autokerkhof. En stenen voor het oprapen. Nadat mijn moeder haar auto aan vrienden had verkocht aan ging hij bijna aan één stuk door kapot. Onderdeel na onderdeel moest vervangen worden. Als je dat in het absurde doortrekt heb je misschien na een jaar wel een compleet andere auto. Zo gaat dat ook met onze cellen maar ik voel me niet bewust vervangen door een andere verzameling na een x-aantal jaar. Als je dat proces geestelijk wilt meemaken moet je misschien het Birmese namensysteem hanteren. In Birma hebben de meeste mensen geen achternamen en je naam is afhankelijk van de dag waarop je geboren bent (en nog tientallen variabelen.) Maar, en dat vind ik een prachtig idee, je naam ligt niet voor altijd vast. Als je een nieuwe levensfase ingaat of een ongeluk hebt gehad en je naam daarom wilt afschudden, kan je je naam veranderen. Ben je trots op een boek dat je hebt geschreven, dan plaats je de titel voor je naam. Ik ben benieuwd of Birmezen het gevoel hebben zichzelf op deze manier te kunnen vervangen en hoelang het duurt voordat ze gewend zijn aan hun naam.