Notities over een bed.

Notities over een bed

Ik wilde een bed van roestvrijstaal (een jongensbed, vond ik) maar kreeg een bed van wit gelakt hout. Alsof ik in een vakantiehuisje in Noorwegen sliep, in plaats van een legerkazerne of ruimteschip. Ik vond het bed en bijpassende kast stom, de witte planken van de kast beplakte ik met plaatjes, waar ik cartridge na cartridge voor leegprintte. De inkt maakte de kast kostbaar. En in het bed drukte ik mijn nagels in het zachte hout. Het leek alsof ik in mijn slaap op de spijlen beet. Het wit schaafde ik bij de poten weg met een zakmesje, ik vond het wit meisjesachtig. Vijftien jaar later was alles in het huis van mijn ouders grijs en roestvrijstaal en was het bed het warmste object geworden.

Het bed bleef thuis toen ik op kamers ging, in de overgangstijd tussen thuis en thuis-thuis sliep ik in hoogslapers, grote tweepersoonsbedden en een twijfelaar. Na de twijfelaar ging het uit. Ik vertrok naar Amsterdam en het witte bed kwam terug. Nadat ik er één avond samen in had geslapen, belde ik mijn ouders op met de vraag of ze het tweepersoonsmatras van zolder konden meenemen, wanneer ze op verjaardagsvisite zouden komen. ‘Heb je een nieuw vriendje?’ vroeg mijn moeder. Zo uitgeslapen is ze wel.

Korrel

Korrel

Het eerste dat we merkten was
het loslaten van alle oude
ideeën over schaal.
Een lieveheersbeest zo groot
als een kinderhoofd.

Toen, het uiteenvallen van de
chronologie, de tijd (of was dat
nog daarvoor?)

Er was een zwart gat gekomen.
Er kwam een zwart gat aan.

Het was zo klein als een zandkorrel,
maar, dat was genoeg.

Er rolt een rots over het huis.
We krijgen regen, roept mijn moeder,
ergens knippend vanuit een struik.
De eerste druppels op het gruis,
alsof zij ze zelf heeft geroepen.

De kopjes, de kussens, ontmantel alles dat
kan vliegen, schuif het op hun buik naar
binnen, dan als laatste onszelf, maar
vergeet ook niet het zolderluik (net als
die keer).

De schuifpui laten we open staan.
De regen sluit het huis.
Zo draait het weer en weer om ons,
tellend, van flits naar ruis.

notities

Een van de kinderen heeft een blikje onder zijn schoen. Het krast als hij op mij af loopt, ik weet dat het daar is om harder te kunnen schoppen. Waarom ik dat weet, weet ik niet. Misschien is dat de kennis die bij verschillende leeftijden geactiveerd wordt, en is dit wat de twaalfjarigen weten.

Valentijn ligt in de boot. Voor de buurmeisjes is hij bijzonder, omdat zijn ouders bijzonder rijk zijn. Voor mij is hij bijzonder, omdat wij allen nog onbegroeid zijn. Geen beenhaar, geen okselhaar. Maar Valentijns rug is bedekt met spiralen van zacht en dik blond haar.

 

Buitenwijk

BUITENWIJK

Er zijn talen waarin
fluisteren lastig is.
Er zijn huizen waarin
geluk onmogelijk is.

De schaduw van de wolk
duwt zich langzaam
over de bergen heen.

De schaduw hier blijft
hangen in het dal
tussen de hoogbouw.

Het waait hier altijd.
Daarom hangen wij alleen
de was nog buiten.
En wij blijven
binnen.