archiveren

Teksten

OBS de Duizendpoot

Ik zit bovenop een klimrek
en tuf tussen mijn benen
de vlekken op de tegels.

Mijn vriend maakt van zijn hand
een pistool en schiet
de spreeuwen uit de lucht.

In mijn broekzak knellen
aanmaakblokjes.

Ze gaan onze school slopen.
Maar eerst nemen wij nog
afscheid en wraak.

De tuinen lagen
er prachtig bij.
De vogels floten
onverminderd hard.

En liggend in het gras
zou je geen streep
in de lucht
meer zien.

De lakens zaten nog in
de wasmachine.

De telefoon gaat
steeds minder over.

En de kat heeft een
ander huis gekozen.

Oplossing

Hoe is het voor een architect
als zijn school niet meer bestaat?

Is dat als wakker worden na
een nacht slaap? En langzaam
je droom niet meer kunnen
vertellen, alleen steeds
kortere momenten.

Een half lokaal,
een losse deur.

Op de muur staat ‘free parking’ geschreven, de G krap op de rand. Eigenlijk is het nauwelijks een aanprijzing, er is overal plek genoeg en er staan nooit meer dan twee auto’s op het parkeerterrein. Één is van de dominee, van de kerk aan de overkant. Één is van Maria zelf. Free parking.

Notities over een bed

Ik wilde een bed van roestvrijstaal (een jongensbed, vond ik) maar kreeg een bed van wit gelakt hout. Alsof ik in een vakantiehuisje in Noorwegen sliep, in plaats van een legerkazerne of ruimteschip. Ik vond het bed en bijpassende kast stom, de witte planken van de kast beplakte ik met plaatjes, waar ik cartridge na cartridge voor leegprintte. De inkt maakte de kast kostbaar. En in het bed drukte ik mijn nagels in het zachte hout. Het leek alsof ik in mijn slaap op de spijlen beet. Het wit schaafde ik bij de poten weg met een zakmesje, ik vond het wit meisjesachtig. Vijftien jaar later was alles in het huis van mijn ouders grijs en roestvrijstaal en was het bed het warmste object geworden.

Het bed bleef thuis toen ik op kamers ging, in de overgangstijd tussen thuis en thuis-thuis sliep ik in hoogslapers, grote tweepersoonsbedden en een twijfelaar. Na de twijfelaar ging het uit. Ik vertrok naar Amsterdam en het witte bed kwam terug. Nadat ik er één avond samen in had geslapen, belde ik mijn ouders op met de vraag of ze het tweepersoonsmatras van zolder konden meenemen, wanneer ze op verjaardagsvisite zouden komen. ‘Heb je een nieuw vriendje?’ vroeg mijn moeder. Zo uitgeslapen is ze wel.

Korrel

Het eerste dat we merkten was
het loslaten van alle oude
ideeën over schaal.
Een lieveheersbeest zo groot
als een kinderhoofd.

Toen, het uiteenvallen van de
volgorde, de tijd (of was dat
nog daarvoor?)

Er was een zwart gat gekomen.
Er kwam een zwart gat aan.

Het was zo klein als een zandkorrel,
maar, dat was genoeg.

Er rolt een rots over het huis.
We krijgen regen, roept mijn moeder,
ergens knippend vanuit een struik.
De eerste druppels op het gruis,
alsof zij ze zelf heeft geroepen.

De kopjes, de kussens, ontmantel alles dat
kan vliegen, schuif het op hun buik naar
binnen, dan als laatste onszelf, maar
vergeet ook niet het zolderluik (net als
die keer).

De schuifpui laten we open staan.
De regen sluit het huis.
Zo draait het weer en weer om ons,
tellend, van flits naar ruis.

Een van de kinderen heeft een blikje onder zijn schoen. Het krast als hij op mij af loopt, ik weet dat het daar is om harder te kunnen schoppen. Waarom ik dat weet, weet ik niet. Misschien is dat de kennis die bij verschillende leeftijden geactiveerd wordt, en is dit wat de twaalfjarigen weten.

Valentijn ligt in de boot. Voor de buurmeisjes is hij bijzonder, omdat zijn ouders bijzonder rijk zijn. Voor mij is hij bijzonder, omdat wij allen nog onbegroeid zijn. Geen beenhaar, geen okselhaar. Maar Valentijns rug is bedekt met spiralen van zacht en dik blond haar.

 

BUITENWIJK

Er zijn talen waarin
fluisteren lastig is.
Er zijn huizen waarin
geluk onmogelijk is.

De schaduw van de wolk
duwt zich langzaam
over de bergen heen.

De schaduw hier blijft
hangen in het dal
tussen de hoogbouw.

Het waait hier altijd.
Daarom hangen wij alleen
de was nog buiten.
En wij blijven
binnen.

MORGEN

Toen ik die taal niet spreken kon
waren merelstemmen
iets als het knappen van takken
of het tikken van golfplaten
in de zon. Een aanwijzing
van iets dat komt of enkel
roering in de achtergrond.

Maar hoeveel mensen weten
dat de merels alles weten,
en de kauwen en de kraaien,
vanuit de kruinen die dan zwaaien,
als torens met een vlag
ons vertellen, over morgen,
elke avond, elke dag.

BODEMVONDST

Mijn oudste broer bewaart
de vondsten van de grond
in een kistje in de berging.

Soms mag ik kijken, dan wel alleen
als hij toch iets hebben moet.

Broer, wat was er dan, voordat
wij hier onze fietsen borgen?
Broer, langs welk bot reist het water
dat wij nu drinken?

‘Hier stond een stad die we nu
Vroeger noemen.
Met de pleinen Eerst,
Ooit en Toen.

Gebouwen vergaan
in de vloed.

De kerk van Toen nat
dan vier jaar lang
een dalend peil.

Tot men zegt, op droge voet,
waar is onze kerk gebleven?

We staan er op.’

‘Ken je het verhaal van Maria al?’ zei ze, terwijl ze zich over mij heen boog en me zachtjes optilde, op haar arm zette. Ik wist niet of ze gewoon door mijn haren streek of mijn oren wilde afleiden tot we de kamer uit waren. ‘Maria’ zei ze, ‘Maria prikte zich aan een naaldboom en sliep daarna wekenlang.’ Achter ons sneuvelde een kopje.

Ik lig op de koele keukenvloer. Een briefje op de wand met een tandartsafspraak van zeven jaar geleden. Gedroogde veldbloemen in bossen aan het houten plafond. Koelkastmagneten, de letters die we tekort kwamen vervangen door iets dat er op lijkt. Mari. Ludwik. Niet iedereen staat er op. Misschien dat de zussen elkaars namen afwisselend afbraken om het eigen tekort aan te vullen. In de koelkast staat alleen nog maar wat bier. Het is een huis geworden voor op doortocht, er zijn geen dingen meer te vinden die kunnen bederven. Wat flessen rode kool en rode bieten.

En de boom is gekapt.

Ik kijk naar de lamp waar nu de vliegen in wonen.

Mijn oma had in de tuin een perenboom. Dat jaar kwam niemand mijn oma bezoeken voor haar verjaardag. Mijn moeder ging niet omdat haar zus zou komen, haar zus kwam niet omdat mijn moeder er zou zijn, oma’s zus had haar heup gebroken, oma’s andere zus wilde in Görlitz naar een tentoonstelling. Niemand kwam de peren plukken. Ze werden zwaarder, vielen op de gedekte buitentafel, op de bankjes en de tegels, en rotten weg. We vonden oma toen ze donker was geworden.

‘Als het nacht is regent het zwart’ zei ze ook.

De Grauwe Broedersstraat

”De stenen kwamen omhoog. Als een rits die langzaam opengetrokken werd, raakte het patroon van de straatstenen onthecht. Tussen de stenen stulpte het zand naar buiten, eerst licht, daarna donkerder. Misschien dat de mensen van buiten de hoek dat haast vergeten zijn, het idee dat er onder al onze straten ook nog aarde ligt. Dat een straat niet tot de aardkern betegeld is, dat er onder de weg een andere huid ligt die soms hulzen openbaart. Toch was ik verbaasd, meestal vinden we iets als wij graven. De hulzen komen niet zelf naar boven, de bloedsomloop ligt stil. Ik was in de deuropening gaan staan, Pieter stond naast mij. We zagen stukken grof stof. Grote mouwen. Twee handen.

Een soldaat.
Zodra hij in het licht kwam sloeg hij zijn handen voor zijn ogen. We trokken hem aan zijn ellebogen omhoog. 

Binnen, we probeerden hem aan de keukentafel warm te wrijven en eten te geven, hij rilde, klapperde. Dat geluid trilling is, of trilling geluid, was voor mij nog niet eerder zo merkbaar. Het was alsof er overal openingen in de jongen zaten, met stukjes metaal die bewogen en elkaar aantikten. Hij was een windorgel.

We pakten zijn handen van zijn ogen af en plaatsten ze naast het bord. We wreven ze schoon en legden twee lepels neer. We durfden niet iets met randen en tanden weg te leggen. Eerst pakte ik hem zacht bij zijn pols en aaide er even de lepel mee, in de hoop iets terug te brengen. Toen Pieter hem probeerde te voeren leek zijn onderkaak los te schieten, we hoorden een laag gehuil.

Nu pas zagen we het gat in zijn achterhoofd. Daar waar lucht naar binnen kwam en ergens in de deemstering versterkt moest worden. Eerst durfde ik er niet goed naar te kijken, naar dat gat, schrik golfde over mijn huid. Mijn ogen schuifelden van de rand omgeslagen vlees naar de ravijn. Ik zag een uitzicht waar ik nog steeds geen woorden voor heb gevonden. Door zijn hoofd leek de wind te gaan. Wind die bomen liet buigen en torens liet omklappen. Alles egaal. We probeerden in paniek het gat te stoppen, we wilden een afgesloten ruimte maken waarin het warm kon worden. Onze daken gingen verloren. 

Zolang als ik kon bleef ik in de keuken, buiten het blikveld van het gat. Toen ik ’s avonds het licht uitknipte kon ik het gevoel van falen niet van mij afschudden. ‘Welterusten’ mompelde ik, zijn tanden glommen in het licht van de straatlantaarn. Ik hoorde zijn kop tochten. Huiverwankelend ging ik de trap op, schaamde mij voor de angst in mijn benen, daalde weer af en knipte een lampje aan. De handen zaten weer voor zijn ogen. Ik kon geen tweede keer welterusten zeggen. 

Elke dag zetten we een bord met eten voor zijn open mond. 

De vierde dag was hij dood.

Hij lag op tafel, de kaken op elkaar. Ergens was ik opgelucht.   

Pieter legde hem weer terug in de open straat. De paar stenen die buurtkinderen als doelpalen hadden gebruikt, brachten we terug naar de geul en stampten we aan. Pieter maakte van twee planken een kruis en kerfde de datum van de vierde dag, wrikte het tussen de klinkers. Een week later was het kruis weg. Misschien had iemand die zijn auto wilde parkeren het uit de grond getrokken. Misschien hadden de kinderen het meegenomen.”

Herinnering uit Handschuhsheim

Op het grasveld zagen wij een struik met twee stemmenDe struik sprak met zichzelf. Zijn kelen zaten in de kop. Het blad werd zwiepend. Één stem nu dreinend. Een schoen werd uit de top geworpen. Wij keken, dachten, dat is vergelding op een kleinere schaal. Kindergeld en keverwraak.