archiveren

O.

Een van de kinderen heeft een blikje onder zijn schoen. Het krast als hij op mij af loopt, ik weet dat het daar is om harder te kunnen schoppen. Waarom ik dat weet, weet ik niet. Misschien is dat de kennis die bij verschillende leeftijden geactiveerd wordt, en is dit wat de twaalfjarigen weten.

Valentijn ligt in de boot. Voor de buurmeisjes is hij bijzonder, omdat zijn ouders bijzonder rijk zijn. Voor mij is hij bijzonder, omdat wij allen nog onbegroeid zijn. Geen beenhaar, geen okselhaar. Maar Valentijns rug is bedekt met spiralen van zacht en dik blond haar.

 

Advertenties

BUITENWIJK

Er zijn talen waarin
fluisteren lastig is.
Er zijn huizen waarin
geluk onmogelijk is.

De schaduw van de wolk
duwt zich langzaam
over de bergen heen.

De schaduw hier blijft
hangen in het dal
tussen de hoogbouw.

Het waait hier altijd.
Daarom hangen wij alleen
de was nog buiten.
En wij blijven
binnen.

MORGEN

Toen ik die taal niet spreken kon
waren merelstemmen
iets als het knappen van takken
of het tikken van golfplaten
in de zon. Een aanwijzing
van iets dat komt of enkel
roering in de achtergrond.

Maar hoeveel mensen weten
dat de merels alles weten,
en de kauwen en de kraaien,
vanuit de kruinen die dan zwaaien,
als torens met een vlag
ons vertellen, over morgen,
elke avond, elke dag.

BODEMVONDST

Mijn oudste broer bewaart
de vondsten van de grond
in een kistje in de berging.

Soms mag ik kijken, dan wel alleen
als hij toch iets hebben moet.

Broer, wat was er dan, voordat
wij hier onze fietsen borgen?
Broer, langs welk bot reist het water
dat wij nu drinken?

‘Hier stond een stad die we nu
Vroeger noemen.
Met de pleinen Eerst,
Ooit en Toen.

Gebouwen vergaan
in de vloed.

De kerk van Toen nat
dan vier jaar lang
een dalend peil.

Tot men zegt, op droge voet,
waar is onze kerk gebleven?

We staan er op.’

‘Ken je het verhaal van Maria al?’ zei ze, terwijl ze zich over mij heen boog en me zachtjes optilde, op haar arm zette. Ik wist niet of ze gewoon door mijn haren streek of mijn oren wilde afleiden tot we de kamer uit waren. ‘Maria’ zei ze, ‘Maria prikte zich aan een naaldboom en sliep daarna wekenlang.’ Achter ons sneuvelde een kopje.

Ik lig op de koele keukenvloer. Een briefje op de wand met een tandartsafspraak van zeven jaar geleden. Gedroogde veldbloemen in bossen aan het houten plafond. Koelkastmagneten, de letters die we tekort kwamen vervangen door iets dat er op lijkt. Mari. Ludwik. Niet iedereen staat er op. Misschien dat de zussen elkaars namen afwisselend afbraken om het eigen tekort aan te vullen. In de koelkast staat alleen nog maar wat bier. Het is een huis geworden voor op doortocht, er zijn geen dingen meer te vinden die kunnen bederven. Wat flessen rode kool en rode bieten.

En de boom is gekapt.

Ik kijk naar de lamp waar nu de vliegen in wonen.

Mijn oma had in de tuin een perenboom. Dat jaar kwam niemand mijn oma bezoeken voor haar verjaardag. Mijn moeder ging niet omdat haar zus zou komen, haar zus kwam niet omdat mijn moeder er zou zijn, oma’s zus had haar heup gebroken, oma’s andere zus wilde in Görlitz naar een tentoonstelling. Niemand kwam de peren plukken. Ze werden zwaarder, vielen op de gedekte buitentafel, op de bankjes en de tegels, en rotten weg. We vonden oma toen ze donker was geworden.

‘Als het nacht is regent het zwart’ zei ze ook.

%d bloggers liken dit: