archiveren

O.

Er rolt een rots over het huis.
We krijgen regen, roept mijn moeder,
ergens knippend vanuit een struik.
De eerste druppels op het gruis,
alsof zij ze zelf heeft geroepen.

De kopjes, de kussens, ontmantel alles dat
kan vliegen, schuif het op hun buik naar
binnen, dan als laatste onszelf, maar
vergeet ook niet het zolderluik (net als
die keer).

De schuifpui laten we open staan.
De regen sluit het huis.
Zo draait het weer en weer om ons,
tellend, van flits naar ruis.

Advertenties

Een van de kinderen heeft een blikje onder zijn schoen. Het krast als hij op mij af loopt, ik weet dat het daar is om harder te kunnen schoppen. Waarom ik dat weet, weet ik niet. Misschien is dat de kennis die bij verschillende leeftijden geactiveerd wordt, en is dit wat de twaalfjarigen weten.

Valentijn ligt in de boot. Voor de buurmeisjes is hij bijzonder, omdat zijn ouders bijzonder rijk zijn. Voor mij is hij bijzonder, omdat wij allen nog onbegroeid zijn. Geen beenhaar, geen okselhaar. Maar Valentijns rug is bedekt met spiralen van zacht en dik blond haar.

 

BUITENWIJK

Er zijn talen waarin
fluisteren lastig is.
Er zijn huizen waarin
geluk onmogelijk is.

De schaduw van de wolk
duwt zich langzaam
over de bergen heen.

De schaduw hier blijft
hangen in het dal
tussen de hoogbouw.

Het waait hier altijd.
Daarom hangen wij alleen
de was nog buiten.
En wij blijven
binnen.

MORGEN

Toen ik die taal niet spreken kon
waren merelstemmen
iets als het knappen van takken
of het tikken van golfplaten
in de zon. Een aanwijzing
van iets dat komt of enkel
roering in de achtergrond.

Maar hoeveel mensen weten
dat de merels alles weten,
en de kauwen en de kraaien,
vanuit de kruinen die dan zwaaien,
als torens met een vlag
ons vertellen, over morgen,
elke avond, elke dag.

BODEMVONDST

Mijn oudste broer bewaart
de vondsten van de grond
in een kistje in de berging.

Soms mag ik kijken, dan wel alleen
als hij toch iets hebben moet.

Broer, wat was er dan, voordat
wij hier onze fietsen borgen?
Broer, langs welk bot reist het water
dat wij nu drinken?

‘Hier stond een stad die we nu
Vroeger noemen.
Met de pleinen Eerst,
Ooit en Toen.

Gebouwen vergaan
in de vloed.

De kerk van Toen nat
dan vier jaar lang
een dalend peil.

Tot men zegt, op droge voet,
waar is onze kerk gebleven?

We staan er op.’

%d bloggers liken dit: