archiveren

Dagelijks archief: 19 februari 2019


In de herfst van 2018 won ik het Gouden Penseel voor het boek Fabeldieren, geschreven door Floortje Zwigtman, zag ik twee te gekke concerten (eentje in een klein zaaltje in de Bijlmer, en de ander in de Oetkerhalle in Bielefeld) en ik veranderde van huis. Er was een omslag voor tijdschrift Lezen die ik maakte, ik kocht mijn eerste tekentafel ooit en stond met tekeningen in de Tirade. Voor het boek ‘de schelmenstreken van Reinaert de Vos’, geschreven door Koos Meinderts, maakte ik een tekening. Ook mocht ik twee workshops geven bij de Teekenschool van het Rijksmuseum en kocht ik veel nieuwe tekenmaterialen. (Desalniettemin bleef ik in de herfst chronisch ontevreden met de tekeningen die ik maakte.)

Advertenties





De podcast ‘De Eeuw van de Amateur‘ (luistertip!) had een rubriek die ‘de krant van drie maanden geleden’ heette, waarin Botte het nieuws van, ja, drie maanden terug vermeldde. Oud nieuws voelt vreemd, als een gepasseerd station dat na het passeren ook nog opgeheven wordt. Het voelt ook raar om een dagboek bij te houden, circa 150 dagen na de desbetreffende dagen. Het voelt stom om nú een samenvatting te schrijven over de zomer van 2018, maar als ik al het raar en stom aan de kant schuift, het voelt nog vreemder om het níet te doen. Ik ruim mijn computer op, bekijk foto’s en probeer vorig jaar te reconstrueren. Het lukte me de laatste jaren steeds slechter om een besef van tijd en duur te behouden. Als mijn moeder aan de telefoon vroeg wat ik het afgelopen weekend had gedaan, kon ik eigenlijk niet echt antwoord geven. Dat is waarschijnlijk omdat je als tekenaar geen harde scheiding hebt tussen werk en vrije tijd, doordeweeks en het weekend, en omdat de dagen zo geleidelijk in elkaar over dimmen. Nu ik de foto’s bekijk denk ik, aha, ik heb ook andere dingen gedaan dan ’s nachts wakker geleden en ’s dags boven de tekentafel gepiekerd.

D
e zomer van 2018. Ik zag mijn familie aan moederskant voor de jaarlijkse familiedag op de kermis van Oosterhout, waar wij altijd als groep snel overprikkelde en gevoelige mensen ons laten vermoeien door licht en geluid. We spelen dan spelletjes kamelenrace en eigenlijk blijven we zitten tot bijna ieder van ons wel een keer gewonnen heeft. Vroeger kregen wij van oma Bakx geld voor de kerremis, dat ze aan ons gaf vanuit een ligstoel. Het voelde als een plechtig moment en ik was er altijd heel zenuwachtig voor. Ik herinner me ook dat ze ons eens veel te veel kermisgeld gaf, omdat ze door dementie niet meer begreep wat een geschikt bedrag was, en dat mijn zus en ik voor een kort moment in de wolken waren, totdat we bij deur het geld weer moesten inleveren bij mijn moeder.

Later deze zomer ging ik met Konrad naar Bielefeld, om mijn eerste paar bergschoenen ooit te kopen. Daarna gingen we door naar München, waar hij moest werken, ik vulde de tijd met het wandelen in de Englischer Garten en het Deutsches Museum, en met tekenen en lezen. We reden daarna door naar het dorp Scheffau am Wilden Kaiser, in Oostenrijk, waar we veel gewandeld hebben. Konrad kwam hier veel als kind en we bezochten de Hintersteinersee waar hij toentertijd zwom. De kleur van het water was zo blauw als een kleurpotlood. Elke dag aten we ijs of Kaiserschmarrn en ik maakte mijn eerste wandeling rond een boomgrens. De dagen waren warm, de kaft van het schetsboekje raakte gevuld met stempels van de wandelposten, we dronken Schorle op een Alm. Er was een nacht boven op een berg, waar we keken naar de maansverduistering. Op de terugreis gingen we langs Heidelberg, toen we ’s avonds aankwamen was het 37 graden. We aten in een tuin, staken de Neckar over om een graf te bezoeken, en liepen tot heel laat over de onbelichte Philosophenweg. Haast blind liepen we gearmd het pad af, om ons heen hoorden we mensen onderweg naar feesten. Op het moment dat ik bang was verdwaald te zijn, krulde het pad recht de stad in, en bracht ons precies voor een ijssalon die open bleek, waar we ons laatste ijs van de vakantie aten.

%d bloggers liken dit: