Angst

Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor ’t donker, voor figuren op het kleed
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.

M. Vasalis,
uit Parken en Woestijnen.

Over dingen waar je bang voor kan zijn.

Ik heb geen tijd om te schrijven vandaag maar ik kwam een tijd terug een serie tegen over de angsten die mensen hebben, in stripvorm. (http://deep-dark-fears.tumblr.com/) (Ik ga nu mooi niet een favoriet selecteren want ik ben aan het tekenen.) (Dus ik zal later deze notitie nog wel uitbreiden.) (En mijn onderstaande angst is niet zo creatief of fantasievol als de getekende angsten zijn.)

Daar wil ik graag de volgende angst aan toevoegen. De angst om bij het struikelen je knokkels zo te schaven dat je een bot tegenkomt. Dat lijkt me bij uitstek de plek waar er zo weinig voor nodig is. Geen centimeters, een enkele millimeter onder je huid begint al dat bot waarvan je zo hoopt dat het nooit bij leven de buitenlucht zal tegenkomen. Ik heb mezelf ook de duizelingen ingejaagd door de bovenstaande foto te nemen.

Het inwendige mag niet naar buiten. Als je voor de spiegel staat en je mondhoeken zover uit elkaar trekt dat je de overgang naar je eigen kaak en schedel kan zien, krijg je kippenvel. Als je aders ontsteken en daardoor zich naar de oppervlakte duwen van een plek waar je dat niet gewend bent (op je schouder of over je ribben heen), dan wil je dat niet zien. 

Over knipjes.

Toen ik als 15-jarige heel veel online schietspellen speelde was er niets zo irritant als een ‘lag’. Een slechte verbinding waardoor tegenspelers opeens voor je neus stonden. De beweging die er daaraan vooraf ging was door de verbinding niet doorgekomen.

Toen ik acht was had ik een vriend met een stroboscoop. Hij verduisterde zijn kamer zo volledig mogelijk, zette de stroboscoop aan en liep met vaart op mij af terwijl hij steeds verschillende gezichtsuitdrukkingen aannam. Het voelt nu, in herinnering, als een niet-virtuele versie van een lag. Als je het volgens de bovenstaande afbeelding in frames zou opdelen , zouden bijvoorbeeld frame vier tot vijftien voor mijn oog zijn onttrokken. 

Ik zou zo graag een stripverhaal wilen maken over het stromen en het haperen van deze bewegingen en de illusie van stilstand maar strip is juist het medium waarin je de stilstand gebruikt en wisselend er voor kiest om alleen frame vier te gebruiken, of vier tot en met vijftien, zonder dat dit het ongebruikelijke suggereert. Ik zou een stripverhaal willen maken waarbij je zo opgesloten zit in de blik en de tijd van de kijker, dat ik zelfs de panels zwart maakt als iemand knippert. (Hoewel ik niet zeker weet of dat wat ik met gesloten ogen zie wel zwart is ) (De meest menseigen vorm van een stroboscoop. Gewoon meer knipperen.)

Het makkelijkste is om een beweging te gebruiken die zo groot of algemeen verwacht is dat zelfs in stilstaand beeld te merken is dat de beweging ongebruikelijk tot stilstand is gekomen. Een bal die meerdere frames in de lucht zweeft terwijl mensen er omheen lopen. Maar in een strip duidelijk maken dat iemand in slow motion beweegt terwijl de rest van de personages dat niet doet, lijkt me een lastige taak. 

Toen ik veel gamede maakte mijn ogen van bewegingen in de buitenwereld soms virtuele bewegingspatronen. Ik zag een keer een bus haperen. En toen dacht ik: ‘oh slechte internetverbinding hier.’